De geschiedenis van Schellinkhout, periode 1891 - 1895.

De tijdlijn van Schellinkhout van 1891 tot en met 1895.

1891
Schellinkhout kent nog steeds een nachtwacht ter voorkoming van onraad. Hij geniet een jaarsalaris van f 50,-.

30 januari:
Het bestuur van de gymnastiekvereniging "Gezondheid en Kracht" heeft in hare vergadering besloten de door haar aangekochte toestellen (handbrug, rekstok, ringen, springtoestel, houten en ijzeren staven) aan de Gemeente Schellinkhout te schenken onder de volgende voorwaarden:
1. de Gymnastiekvereeniging "Gezondheid en Kracht" mag die toestellen te allen tijde kosteloos gebruiken.
2. het Gemeentebestuur verbindt zich die toestellen te onderhouden.

De gemeenteraad, onder leiding van burgemeester A. Kool, gaat op 19 februari akkoord overwegende dat de aanvaarding van de schenking is in het belang van het onderwijs in de gymnastiek.
Het besluit wordt nog ter goedkeuring voorgelegd aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Deze goedkeuring volgt reeds op 25 februari, onder nummer 15.

Een schoolfoto uit omstreeks 1891 met meester Ebels. De foto is gemaakt naast de school aan De Laan.

Bovenste rij 1e van rechts: Klaas Noordervliet, geboren te Schellinkhout 10 november 1887;
Middelste rij 2e van links: Jan Heering;
Middelste rij 4e van links: Jacobus Noordervliet, geboren te Schellinkhout op 24 mei 1880;
Onderste rij: geheel rechts (zittend) Maartje Noordervliet, geboren op 9 oktober 1882 te Schellinkhout.

Verder zijn er geen namen bekend (zie 1900: Noordervliet).

13 augustus: In huis nr. 113 wordt de tweeling Geertje en Betje Bloothoofd geboren. Als getuigen worden op de geboorteakte genoemd: Maarten Dekker, 60 jaar, winkelier (manufacturier) en Pieter Koomen, 53 jaar, veldwachter; beiden in Schellinkhout. Op 1 april 1896 krijgt deze tweeling een zusje, die Sijtje wordt genoemd.

1892
Dominee Jan Hendrik Hooyer overlijdt (zie 1871-1873).

25 augustus: De zangvereniging Polijhijmnia (godin van de zang) wordt opgericht in de "Kolfbaan van den Heer D. Knol". Oprichter en onderwijzer J.H. Steggerda wordt benoemd tot Directeur President voor een honorarium van vijftig gulden per jaar.
De heren C. Bloothoofd en C. Leguit worden bestuurslid.
In de eerste notulen wordt de naam als volgt geschreven: Polijhijmnia. Later wordt dat: Polyhymnia.
In de jaren 1910 - 1913 is de vereniging rustende. In 1941 loopt het ledenaantal fors terug en niemand wil meer voorzitter worden. Op 6 februari 1941 wordt de direkteur Harmsen in arren moede ook maar tot voorzitter benoemd (zie ook Harmsen: 1942). Als het jaar 1941 wat verder is gevorderd schrijft de secretaresse Anny Snoeck in de laatste notulen:
"Aan de eene kant heeft het bestaan van de gym wel schuld aan de teruggang onzer vereeniging, maar aan de andere kant en dat is de grootste factor, is het de directeur. Deze is namelijk van politieke richting veranderd en daar dit niet strookt met de zienswijze van het meerendeel der Schellinkhouter bevolking kon niemand er meer bekoring in krijgen lid te worden."
Vermoedelijk heeft deze directeur de kant van de Duitse bezetter gekozen.....
Het 50-jarig bestaan van de vereniging wordt net niet gehaald!


Een foto van het koor uit het jaar 1927, genomen bij de woning van schoolmeester J. Ebels.
Achterste rij v.l.n.r.: K. Ney, J.C. de Vries, J. Nobel, P. Kroonenburg, K. Roos, J. Boot, H. Kroeze, A. de Vries en J. Coevert;
Midden v.l.n.r.: voorzitter C. Bart, J. van Dok, mevrouw Van Dok, L. Speets, mejuffrouw Horst, vrouwtje Leguit, N. Roemer, E. Dibbits, Jacob Palenstijn, A. Groot, Dirkje de Wit, J. de Vos, mevrouw De Vos, Ma Nierop en Jan Palenstijn;
Voorste rij v.l.n.r.: J. Ossen, K. van Dok, D. Bart. M. Boot, J. Smit, D. Horst, C. Kroonenburg, Tr. Valentijn, R. Kroeze en K. Ham.

 
Foto's van de kop van een programma uit respectievelijk 1915 en 1930.

1894
Van der Brul (zie 1879) verkoopt zijn huis (Dorpsweg 38) voor drieduizend gulden aan meesterbakker Jacob Koomen.

Op een landkaart uit 1894 (gedeeltelijk herzien in 1899) wordt de Nek ook wel genoemd "de Blokkerhoek".

1895
Op de bewaarschool zitten nog maar 19 kleuters blijkens een archiefstuk. Op onderstaande foto uit omstreeks 1895 telt u er overigens 20.

De schooljuffrouw op de achterste rij is juf Lubbers. De twee meest rechtse kinderen op de achterste rij zijn Jan Breebaart (links) en Dieuw Vorst. Het vijfde kind op de middelste rij (in het centrum van de foto) is Iefje Dekker. Op de onderste rij is het zesde kind van links Klaas Roos, geboren 26 december 1890 (zie 1964). Helemaal rechts op de onderste rij is Cor Leguit (zie 1906).

Zware novemberstorm. Twee vissershuisjes, die achter de dijk staan, worden verwoest.
Uit: Dorpskrant voor Schellinkhout 22 februari 1969.
Van mevrouw Breebaart-Leeuwrik ontvingen we een
Herinnering aan de Novemberstorm van 1895 die in Schellinkhout twee vissershuizen verwoestte.

November achttien-vijfennegentig - Een fel Noordoostenwind
joeg langs de dijk ..... reeds dagen lang.
De Zuiderzee werd opgezweept en onrustbarend
steeg het water ..... telkens hoger!
De vissers hier in Schellinkhout, ze keken somber
en schudden 't hoofd, het werd hen bang
te moede, want hun huisjes stonden
achter de dijk, in 't lage polderland.
't Gebeurde wel eens meer, bij hoge zee
dat 't water over de drempel kwam
tot in 't woonvertrek, wat ongerief bracht mee.

Maar nooit sinds mensenheugenis
had 't zo lang achtereen gestormd - en hoe!
En 't werd maar steeds niet minder,
integendeel! Sinds gisteravond nam gestaag
de storm nog toe en oorverdovend bulderde
en gierde hij om de vissershuisjes heen,
die taamlijk oud al zijnde, stonden te
schudden en beven op hun fundament.
't Was of ze sidderend en klagend, om hulpe riepen,
wel wetend, dat hun weerstand bieden,
van niet te lange duur zou zijn.

Intussen was de storm, geworden een orkaan!
Hij bonkte op hun oude daken, waarvan
de balken en spanten kraakten, dan telkens
werden pannen woest weggerukt en neergesmeten
in het water van de zee, dat reeds met veel
geweld, hoog golfde om de huisjes heen.
De avond hier vooraf, verlieten de bewoners
vol angst en vrees hun stee, want langer
blijven was niet mogelijk, daar 't zilte nat
verrassend snel, door elke hoek naar binnen drong.
Doch de oude opoe echter, wier verstandsvermogen
niet zo normaal meer was, weigerde hardnekkig
mee te gaan en bleef dan ook, de voeten op
een warme stoof, stokstijf in de oude leunstoel
zitten, ofschoon het water alreeds spoelde om haar heen.

Toen pakte men kordaat het luid weerstrevend
oudje beet en droeg men haar met stoel en al
het huisje uit, naar buiten, waar men met
zacht geweld, haar mede nam naar veiliger oord.
Ze gingen naar familie, daar ginder aan de
binnenzijde van de dijk, de kant naar 't dorp toe.
Die nacht werd niet geslapen, de gemoederen
waren te veel beroerd en telkens weer,
bij 't horen van 't woest gehuil der storm
daar buiten, dacht ieder:"o, God,
wat zal er van ons huisje worden"?

Diezelfde nacht ook liepen mannen op de dijk,
Met stormlantarens te waken en te speuren,
of soms ook hier en daar, gevaar voor doorbraak was,
wat onherroepelijk voor het dorp een grote ramp zou worden.
Daar in het "Magazijn van Drechterland",
dat stond aan het uiterste einde van het dorp,
en bergplaats was voor al wat bij zo'n doorbraak
nodig was, als: grote zeilen, sterke touwen,
zakken zand en zwaar gewicht,
die 't water moesten tegenhouwen;
Daar, in die grote houten ruimte, had men
de zaak gereed gemaakt, om, als het werkelijk
nood ging worden, daar alles voor het grijpen lag.
Goddank, de dijk was sterk en bleek bestand
te zijn voor 't woeste, wilde golfgeklots.

Zo brak dan, na een bange angstnacht
een nieuwe dag weer aan.
De vissers spoedden zich reeds vroeg
weer naar hun woning toe, want
netten en zo meer, waarmee ze 't dagelijks
brood verdienden, al dat gerei bevond zich nog
op zolder en moest gebracht in veiligheid.
Tot aan de knieën moest men waden door het water
tot aan de ladder, die naar boven ging.
De jongste, flink gespierd en sterk,
nam de oudere zwager op z'n rug, die dan
beklom de ladder, om het voor hen zo kostb're
viswant, nog juist bijtijds te redden, want
grote gaten sloegen reeds in het dak, en wild
vloog 't riet hoog in de lucht, naar alle kant.

Uit grauwe, zwarte wolkenmassa's, die onheilspellend
raasden langs het zwerk, kwam af en toe
een striemend koude hagelbui of regenstromen,
die 't toch al reeds zo moeilijk reddingswerk
bijna onmogelijk deed zijn.
Inmiddels waren dorpsgenoten gekomen
ook bij de onheilsplek, waar men nu met
vereende krachten, de reddingspoging zette voort.

Graag wilde men de meubels, ook beddegoed
en kleren proberen nog te halen, eer het
een prooi der woeste elementen werd.
Doch daar het al maar wassend water, weldra
de toegang afsneed, kon helaas, een klein
gedeelte slechts bemachtigd worden.
Toen ging men nog een laatste poging wagen,
door lange sterke planken te leggen
tussen dijk en opening in het dak.
Zo kwam een wankele brug tot stand,
en dadelijk was een rappe jonge klant bereid
door 't dak te kruipen, om te trachten,
daardoor te kunnen brengen nog wat in veiligheid.

Intussen ging als lopend vuur, door 't dorp
de droeve mare, dat ginder aan de dijk,
door 't ongekende stormweer, d'alom bekende
vissershuisjes, hun ondergang dra gingen tegemoet.
Dat deed veel mensen toen, ondanks het vreselijk
noodweer, tesamen stromen op de dijk.
Daar kon men toch met eigen oog aanschouwen,
de gevolgen van ontembre krachten der natuur.
Men keek met angst en spanning
naar 't gevaarvol, moeilijk reddingswerk,
tot 't eindelijk niet langer ging,
want stukken muur toch sloegen weg
juist bij een bedstee, en men zag
als speelbal van de wind en golven,
het beddegoed naar buiten drijven.

Het andere, dat gered nog was, bracht men
bij d' bakkersoven, want in de warme bakkerij
mocht men de bedden en de lakens drogen.
Een troosteloze aanblik was 't, de zo zwaar
beproefde vissers, wanhopig te zien staren
naar de laatste resten van hun woning.
De hun zo vertrouwde zee, waarop ze als kind
reeds voeren, in de schuiten van hun vaders mee.
en thans zelf als man en vader
al jaren lang hun brood verdienden,
diezelfde zee had hard en wreed nu
hun plotseling beroofd van have en goed.

Die zaterdag van eind november,
was 't somber slot van een stormweek,
als in Schellinkhout nooit iemand had gekend.
Toen kwam de zondag, en met de
Zondagsrust ook rust in de natuur.
Wel woei een flinke bries nog steeds uit het
Noord-West, doch van stormen was geen sprake meer.
Zelfs kwam de zon zo nu en dan
om 't hoekje kijken en zond haar vriendelijke
stralen naar beneên, als wilde zij daarmee
een weinig trooste brengen.

De oude kerketoren, daterend nog van eeuwen her,
juist aan de binnenkant van de dijk,
waar aan de buitenzij de druk besproken
ramp had plaats, keek met zijn hoge,
ranke spits meewarig naar de overkant.
Neptunus had hem zeer verstoord,
door zo medogenloos de vissershuizen
die al zovele lange jaren, zijn trouwe
overburen waren, met één slag
in het niet te doen verzinken.
Zijn klokketonen zouden straks
weer galmen over 't dorp, om zoals
elke zondagmorgen, te noden
de bewoners tot de kerkgang.

Zoals gewoonlijk, gaven velen
aan die roep gehoor, en na afloop
gingen allen eens kijken op de dijk,
naar de steeds nog hoge zee.
Die dag was wel in ieder huis
't gebeurde van de laatste dagen
een belangrijk onderwerp van gesprek
en ook daarna, nog weken lang.

Dit alles is nu al weer ruim zeventig jaar geleên.
De Zuiderzee werd IJselmeer,
en 't plekje grond, waar ééns de
vissers woonden, werd herschapen
in een mooie vruchtentuin.
Men behoeft niet meer beangst te zijn,
dat 't overstroomd zal worden, want
de Afsluitdijk daar tussen Zurich en Den Oever
staat daar in 't heden en de toekomst
toch zeker wel voldoende borg voor.

Ik deed hiermee een greep uit het verleden
dat, zo ik meende, waard was,
uit de herinnering op te diepen,
en neer te schrijven, om hiermede
een bescheiden steentje bij te dragen
aan het behoud der historie van Schellinkhout.
C. Breebaart-Leeuwrik

 Buitendijkse huisjes (links op de foto).

naar begin van deze pagina
naar de eerstvolgende periode
terug naar de basispagina

 G. Kazimier.

Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op (maand / dag / jaar / tijdstip) :